Gewone zondag

Om half zeven staat de vader op met z’n zoon. Samen in de sofa onder de dekens boeken lezen, de vader valt regelmatig in slaap, maar wordt gewekt met een vrolijk ‘Mojje!’ (Goedemorgen!) en een kleine hand op zijn wang. Langzaam wordt de huiskamer warmer, en wordt het buiten lichter. Vanuit het kleine raam op vijf hoog zien ze, zoon op schoot, hoe de straat drukker wordt met auto’s, bestelwagens, fietsers, en ouders met kinderwagens.

Daarna samen in de keuken spek bakken, eitjes koken, sap persen, de eerste kop koffie maakt de vader eindelijk wakker. De zoon mag er suiker in doen, en strooit enkele lepels over tafel uit. De kleine kristallen schitteren. Het brood geurt in de oven. Samen dekken ze de tafel. En eten ze in stilte, langzaam. De eerste cd van de dag speelt zacht, Wild dreams of new beginnings. De moeder mag uitslapen.

Wanneer iedereen wakker is, laat in de voormiddag, en ontbeten heeft, roept de zoon dat hij de apen wil zien in de zoo.
‘Maar die zagen we gisteren al,’ is de eerste reactie van de ouders. ‘En het is laat.’
‘Ape zsoo zsie.’
Ze kijken elkaar aan, de zoon kijkt op, en weet al wat er gaat gebeuren. Het is zondag, en ze hebben toch geen plannen. Dus doen ze warme kleren aan en gaan ze naar de zoo, net als gisteren. Langs de apen – de favorieten van de zoon, de olifanten, en de pinguïns. Daarop een eenvoudige lunch samen in de stad die eindigt met koffie en een muffin.
Vlak voor de deur valt de zoon in slaap.

In de namiddag zouden de vader en de zoon de stad in fietsen, en over de kasseien aan de kade een grote boot gaan inspecteren. Wat verderop genieten ze in stilte van het laatste licht in de bocht van de Schelde.
‘Lischje,’ zou de zoon zeggen. Op Linkeroever zouden de eerste lichten in de hoge flats schijnen. Boven Hoboken zou het regenen. In het hoofd van de vader zouden op weg naar huis, heel even, alle zondagavonden die hij ooit in steden doorbracht samenvallen. Er is iets, zou hij denken, aan toeristen in een stad op zondagavond, iets wat iedereen rustiger maakt, maar hij zou het niet kunnen benoemen, en de gedachte zou weer even snel verdwijnen. Ze zouden net aankomen voor het donker, met frisse, rode wangen, en meteen weer thuis zijn in de warmte van licht, de witte muren, de zetel, en de boeken in de kast.

De zoon zou laat in bed liggen, de tv zou uitblijven, de radio de hele avond fluisteren. En deze zondag zou bijna eindigen als elke andere.

In de zetel, zoon slaapt allang, zou de vader lezen over Amerikaanse politiek, en hij zou denken aan de romeinen. En hij zou aan zijn vrienden denken, elk op hun plek op zondagavond, en hij zou zich voorstellen welke nummers ze hadden gespeeld, als het repetitie was geweest.

Tijd, zou hij denken, tijd. We hebben de tijd.

Advertenties

About this entry